In ons museum is natuurlijk aandacht voor de meekrapteelt. Hieraan heeft ons museum immers zijn naam te danken. De meekrap is een plant waarvan de wortels de grondstof voor een rode kleur bevatten. Al in de 14de eeuw werd de plant in Zeeland verbouwd en verwerkt.

In de 16de en 17de eeuw beleefde de industrie zijn hoogtepunt. Vroeger stonden op Tholen en Sint-Philipsland een ‘stoof’. In de ‘stoof’ werd de verfstof uit de wortels gewonnen. Het gebouw leek op een grote schuur. Hierin werden de meekrapwortels gedroogd en tot poeder gestampt. Dit poeder werd door de ververs gebruikt om de wol en andere stoffen te verven. Met mengmaterialen kon men naast diverse schitterende kleuren rood ook kleuren als zwart, paars en bruin maken.

In 1868 lukte het twee Duitse chemici om op synthetische wijze de rode meekrapkleur te bereiden. Dit betekende het einde van de meekrapcultuur. De meeste ‘meestoven’ werden afgebroken. Tegenwoordig herinneren nog alleen straatnamen aan de voor deze streek ooit zo belangrijke industrie. De Stoofdijk in Stavenisse is hier een voorbeeld van.